Ervaringen van een ballengooier (1)

 

Even voorstellen: Mijn naam is Zjeu van Ballegooijen (pseudoniem.) Ik gooi ballen, luister en hoor van alles, kijk rond en zie van alles en schrijf met plezier een en ander op.

Enige tijd geleden trok een grote foto van een bijzonder winteronderkomen van de Jeu de Boules Club Horst  in de wekelijks verschijnende Horster “HALLO” mijn aandacht. Het artikel bij de foto  maakte melding van een winterspeelplaats met zes banen in de kelderruimte van een bedrijf op het Horster industrieterrein.

Eventueel lidmaatschap zou met zich brengen dat ik vaker de elementen zou moeten trotseren, dat het  contact met de buitenwereld zou worden verruimd en dat het spelletje me zou kunnen boeien. Allemaal plussen. Mooi toch!

Al vele jaren intrigeerde het spelletje me. Tijdens fietstochten in met name Frankrijk werd er altijd wel een tijdje gestopt op een plein omzoomd door bomen en bankjes in een wijk of dorpscentrum en gekeken naar het spelletje dat puur om gezellig tijdverdrijf wordt gespeeld. Ooit op een camping werden mij ballen aangereikt – Ik keek waarschijnlijk té geïnteresseerd! - met de uitnodiging om mee te spelen. Dat viel toen tegen!

 

Eindelijk was ik dus zo ver. Een in de Horster pétanquescene bekend gezicht werd om inlichtingen gevraagd. “Kom maar gewoon een aantal keren kijken en vooral meedoen om te proeven of het spelletje jou kan boeien. Geen zorgen om ballen, die zijn er in ruime mate aanwezig.” Dat alles klonk verleidelijk uitnodigend.

Een goede maand later had ik het winterspeelverblijf  c.q. de “bunker”, zoals een lid het onderkomen noemde,  al een tiental malen bezocht en gelukkig nog niemand met zo’n stevige anderhalfponder geraakt. (Er zal standaard voor elk lid wel een verzekering afgesloten zijn tegen zulke risico’s!) Een enkele goede en veel mindere worpen wisselden elkaar af en er was een grote interesse om te leren. De middagen vlogen om. Halverwege is er een gedwongen pauze van een kwartier om te babbelen en te snoepen bij koffie, thee of fris. De prijs van koffie etc. is a.h.w van een flinke slok belasting voorzien die o.a. ten goede komt aan activiteiten van de club en zo mogelijk ook aan een dak boven een gedroomde Horster  overdekte speelplaats. Zo is die pauze een extra nuttig deel van de middag.

In Nederland wordt veelal op aangelegde banen gespeeld en in Frankrijk op meer natuurlijke en minder aangeharkte plaatsen. Het karakteristieke aan de mediterrane pétanquepleinen bestaat uit de afwezigheid van fietsen en auto’s rondom. Deelnemers komen sloom wandelend van thuis naar hun baan – in een uiterst geval wil er wel eens iemand verschijnen met een fiets van even na WO II - met links of rechts aan het  stuur een etui met drie ballen en een doekje. Een speelplein ligt dus meestentijds op wandelafstand van thuis en centraal in een buurt, wijk of dorp. Verder treffen we rondom de nodige bomen die voor ruime schaduw zorgen en zo tevens als hitteschild werken. De ondergrond is stevig en bedekt met een strooisel van zand, fijn kiezel of nog grover materiaal en absoluut niet te vergelijken met de keurig aangeharkte pétanquebakken in onze omgeving.

Alles aan de deelnemers straalt gemoedelijkheid uit. Rustig kijkend naar het trosje ballen rondom de kleine but met de handen op de rug en daarin een rafelige doek – bijna een “tuttie”gelijkend - met eventueel  tegen elkaar klikkende ballen en vaak ook nog een oppakmagneet. Verplaatsingen gaan bijna sloffend. Soms is er overleg in gebogen houding boven de but en de ballen; wie ligt het beste en wat te doen (= proberen) om het resultaat te veranderen. Met hand en of voet wordt gewezen waar de volgende bal zou moeten komen. Nu en dan komt er een rolmaat uit een broekzak om nauwkeurig te bepalen welke bal/partij het beste ligt. Bij 13 punten is er een winnaar en begint men weer bij nul.

De ballen worden met regelmaat gepoetst met de doek die permanent in de minst handige hand huist. Het stof of ander ongerief moet van de ballen af, want dit vermindert de controle over de bal; de bal ligt dan niet in de hand zoals dat bij het routinegevoel past. Daarnaast is er Artikel 16. Dat bepaalt o.a. dat de bal bij de worp ontdaan moet zijn van alle balvreemde stoffen! Soms worden een of twee vingers vlak voor een worp even bevochtigd aan de mond of wordt de werphand als een toeter aan de mond gezet om via het vocht in de uitadem het contact met de bal te doen verbeteren. De ballen zelf mogen niet rechtstreeks nat gemaakt worden.

Wordt vervolgd…

Door: Zjeu van Ballegooijen.