Ervaringen van een ballengooier (1)

 

Even voorstellen: Mijn naam is Zjeu van Ballegooijen (pseudoniem.) Ik gooi ballen, luister en hoor van alles, kijk rond en zie van alles en schrijf met plezier een en ander op.

Enige tijd geleden trok een grote foto van een bijzonder winteronderkomen van de Jeu de Boules Club Horst  in de wekelijks verschijnende Horster “HALLO” mijn aandacht. Het artikel bij de foto  maakte melding van een winterspeelplaats met zes banen in de kelderruimte van een bedrijf op het Horster industrieterrein.

Eventueel lidmaatschap zou met zich brengen dat ik vaker de elementen zou moeten trotseren, dat het  contact met de buitenwereld zou worden verruimd en dat het spelletje me zou kunnen boeien. Allemaal plussen. Mooi toch!

Al vele jaren intrigeerde het spelletje me. Tijdens fietstochten in met name Frankrijk werd er altijd wel een tijdje gestopt op een plein omzoomd door bomen en bankjes in een wijk of dorpscentrum en gekeken naar het spelletje dat puur om gezellig tijdverdrijf wordt gespeeld. Ooit op een camping werden mij ballen aangereikt – Ik keek waarschijnlijk té geïnteresseerd! - met de uitnodiging om mee te spelen. Dat viel toen tegen!

 

Eindelijk was ik dus zo ver. Een in de Horster pétanquescene bekend gezicht werd om inlichtingen gevraagd. “Kom maar gewoon een aantal keren kijken en vooral meedoen om te proeven of het spelletje jou kan boeien. Geen zorgen om ballen, die zijn er in ruime mate aanwezig.” Dat alles klonk verleidelijk uitnodigend.

Een goede maand later had ik het winterspeelverblijf  c.q. de “bunker”, zoals een lid het onderkomen noemde,  al een tiental malen bezocht en gelukkig nog niemand met zo’n stevige anderhalfponder geraakt. (Er zal standaard voor elk lid wel een verzekering afgesloten zijn tegen zulke risico’s!) Een enkele goede en veel mindere worpen wisselden elkaar af en er was een grote interesse om te leren. De middagen vlogen om. Halverwege is er een gedwongen pauze van een kwartier om te babbelen en te snoepen bij koffie, thee of fris. De prijs van koffie etc. is a.h.w van een flinke slok belasting voorzien die o.a. ten goede komt aan activiteiten van de club en zo mogelijk ook aan een dak boven een gedroomde Horster  overdekte speelplaats. Zo is die pauze een extra nuttig deel van de middag.

In Nederland wordt veelal op aangelegde banen gespeeld en in Frankrijk op meer natuurlijke en minder aangeharkte plaatsen. Het karakteristieke aan de mediterrane pétanquepleinen bestaat uit de afwezigheid van fietsen en auto’s rondom. Deelnemers komen sloom wandelend van thuis naar hun baan – in een uiterst geval wil er wel eens iemand verschijnen met een fiets van even na WO II - met links of rechts aan het  stuur een etui met drie ballen en een doekje. Een speelplein ligt dus meestentijds op wandelafstand van thuis en centraal in een buurt, wijk of dorp. Verder treffen we rondom de nodige bomen die voor ruime schaduw zorgen en zo tevens als hitteschild werken. De ondergrond is stevig en bedekt met een strooisel van zand, fijn kiezel of nog grover materiaal en absoluut niet te vergelijken met de keurig aangeharkte pétanquebakken in onze omgeving.

Alles aan de deelnemers straalt gemoedelijkheid uit. Rustig kijkend naar het trosje ballen rondom de kleine but met de handen op de rug en daarin een rafelige doek – bijna een “tuttie”gelijkend - met eventueel  tegen elkaar klikkende ballen en vaak ook nog een oppakmagneet. Verplaatsingen gaan bijna sloffend. Soms is er overleg in gebogen houding boven de but en de ballen; wie ligt het beste en wat te doen (= proberen) om het resultaat te veranderen. Met hand en of voet wordt gewezen waar de volgende bal zou moeten komen. Nu en dan komt er een rolmaat uit een broekzak om nauwkeurig te bepalen welke bal/partij het beste ligt. Bij 13 punten is er een winnaar en begint men weer bij nul.

De ballen worden met regelmaat gepoetst met de doek die permanent in de minst handige hand huist. Het stof of ander ongerief moet van de ballen af, want dit vermindert de controle over de bal; de bal ligt dan niet in de hand zoals dat bij het routinegevoel past. Daarnaast is er Artikel 16. Dat bepaalt o.a. dat de bal bij de worp ontdaan moet zijn van alle balvreemde stoffen! Soms worden een of twee vingers vlak voor een worp even bevochtigd aan de mond of wordt de werphand als een toeter aan de mond gezet om via het vocht in de uitadem het contact met de bal te doen verbeteren. De ballen zelf mogen niet rechtstreeks nat gemaakt worden.

Wordt vervolgd…

Door: Zjeu van Ballegooijen.

 

 

 Ervaringen van een ballengooier (2)

 

Al spoedig tijdens de eerste speelmiddag werden welgemeende aanwijzingen onopvallend  aan mijn oren toevertrouwd. Hints die even divers waren als de speelstijlen van spelers die mij snel vooruit wilden helpen. Na ruim anderhalf uur waren vele kleine tips betreffende de werptechniek, regels en tactiek twee oren ingegaan en verder onderweg met elkaar in botsing gekomen; bouleshit in het hoofd dus. Thuis bemerkte ik aan een vroege dut op de bank  dat de middag meer dan gemiddeld inspannend was geweest.

Hier slechts een beperkte keuze uit het ruime aantal aanwijzingen:

“Je moet de bal minder hoog gooien. Als je de bal een hoge boog laat maken, dan rolt deze  niet ver en is gevoeliger voor oneffenheden.”

“Je moet de bal verder laten landen…”

“De duim niet tegen de bal leggen.”

“De duim en de pink niet tegen de bal leggen.”

“De arm goed gestrekt houden.”

“De bal over de drie middelste vingers weg laten gaan.”

“De bal laag weg laten gaan, dan kan deze rechter doorrollen.”

“Je kunt de bal ook backspin meegeven, dan rolt deze niet zo ver door.”

 “Bal losjes in de hand houden. Niet knijpen.”

“Bal vóór de but leggen. Dan ligt deze in de weg voor de tegenstander… en voor jou zelf!”

 “Je kunt beter bovenhands gooien.”

“Onderhands gooien doe je toch niet!”

Aldus de vriendelijke medespelers en tegenstanders van die bewuste eerste speelmiddag.

Dank voor alle welgemeende aanwijzingen!

Met nog meer dan de voornoemde berg aan informatie zette ik koers naar huis. Wind in! Er was hoop dat mijn hoofd leeg zou waaien… maar dat bleek tevergeefs.

Toen ik vorenvermeld informatiebombardement later op een rustig moment vergeleek met de praktijk van de veelal Franse bouleartiesten op YouTube wist ik helemaal niet meer welke kant ik op moest; alle toppers etaleerden een heel eigen werproutine. Dit bracht mij tot de volgende conclusie: veel ballen gaan gooien! Daar zou dan langzaamaan  een gevoel voor een constante uit voort moeten komen; de worp zou deels een automatisme moeten gaan worden, een routine.

Daarnaast begreep ik ook dat er theoretisch oneindig veel variaties zijn om de bal te laten stoppen op de gewenste plaats! Tussen hoog en “plof” met nauwelijks een rol en een lage worp met lange rol liggen theoretisch ontelbaar veel variaties. Verreken je daarbij nog de mogelijkheden in vaart en effect die je de bal kunt meegeven en de gesteldheid van het oppervlak dan kom je aan oneindig keer oneindig! Ter geruststelling geldt: Het aantal mogelijkheden wordt nooit groter dan oneindig… maar dat is slechts een zeer schrale troost!

Voor het gevoel is de variatie in de praktijk echter een stuk minder groot. Je werpt zoals je werpt en de bal ligt goed, matig of slecht. Met een volgende bal probeer je een beetje bij te stellen; een beetje harder of zachter, hoger of lager  en kijken of het resultaat verbetert. De vele worpen leiden langzaam tot een eigen gevoel en  procedure met bijsturen. Het totaal van stand innemen, bal in de hand houden, focus op de landingsplaats en gerichtheid op een plek bij de but leidt langzaam tot een bepaalde zwaai van de arm en dit wordt dan de bij jou horende manier.

Zo zal elke speler tenslotte zijn eigen manier ontwikkelen. Ook de spelers, die op onze JDBCH- banen te vinden zijn. Dat moet dus voor elke twijfelaar een beetje perspectief bieden… Succes!

Tot een volgende (hyper)ventilatie…

Door: Zjeu van Ballegooijen

 

 Ervaringen van een ballengooier (3)

 

Nauwelijks hersteld van de eerste depressie in mijn spelpeil – de speelpret bleef acceptabel – maakte  een medelid melding van een lessenserie in het Venrayse aan het eind van de lente. Interessant… maar tevens waren daar direct ook de eerste twijfels. Ik zag het al aankomen: Van alles veranderen en opnieuw kortsluiting binnen de eigen procedures. Ik moest er zwaar over nadenken vooral omdat het spelletje juist weer een beetje begon te lopen. Niet deelnemen en wel deelnemen worstelden om de voorkeur. Het werd na weken niet doen toch wél deelnemen.

In de eerste les meldde de instructeur als een voorafje: “Door het volgen van deze lessen is er grote kans op een tijdelijke dip in je spelpeil.” Bam, die aftrap werd met instemmend geknik en afkeurend gemompel ontvangen. Spoedig daarna meldde Wim, zo heette de instructeur, in mijn richting: “Werpen vanuit een rechtop staande houding. Klein beetje doorzakken op je standbeen mag.” Ik zakte duidelijk verder door en verwerkte deze aanwijzing met een inwendig “Ahum!” Zo had Wim er nog een: “De armzwaai rustig van achter laten komen en met een soepele slinger de bal in de gewenste richting naar de landingsplaats sturen. Geen korte ruk aan je arm om het projectiel te lanceren.” Wat Wim allemaal voorstelde lukte tamelijk goed tijdens de lesavonden. Maar daarna begon het: Alsof alles wat ik  me voor de lessenserie had eigen gemaakt was versmolten met de nieuwe aanwijzingen tot een mij vreemde mix. Het resultaat was dat ik zelfs het scorebord niet meer goed kon beheren, laat staan scoren met een laatste worp om een puntje te kunnen bijschrijven. Totale malaise!

Tenslotte kan ik meedelen dat de aanwijzingen van Wim toch een positieve uitwerking hebben gehad op mijn werproutine. Dank je wel Wim!

In de lessenserie werd gesproken over en in de praktijk geoefend met de verbetercirkel; een cirkel die je kunt tekenen met de liggende bal van de tegenstander als raakpunt en de but als het centrale punt. Als die (verbeter)cirkel groot is dan is er een ruime kans om de te werpen bal beter te leggen en als de cirkel maar klein is dan is die kans ook klein. Dan kan afhankelijk van het aantal ballen resterend bij de beide teams besloten worden om een liggende bal weg te schieten.

Een door de tegenstander als eerste geworpen bal die op enkele centimeters voor de but ligt zou dus eigenlijk altijd weg moeten, want een bal beter plaatsen is in dat geval erg lastig. Schieten is echter ook risicovol zeker als je nooit oefent in schieten. Daarom werden er ook artillerieoefeningen gehouden. Laat de bal vanuit een ruime, maar rustige armzwaai vlak voor de weg te schieten bal de grond raken. De tien of twintig schoten tijdens een les zijn natuurlijk nooit voldoende om het schieten even te gaan beheersen. Nog een goeie van Wim: De eerste bal moet voor de but komen te liggen! Ballen achter de but vormen snel - samen met andere ballen - een opvangcentrum met verbeterkansen… voor beide partijen.!

Hulde aan Wim!

Door: Zjeu van Ballegooijen

 

Ervaringen van een ballengooier… 4

 

Tumult! Tumult op de buitenbanen van de Horster boulers. Wat was het geval? In de periode dat de zon bij mooi weer in 2018 tijdens speeltijd weinig schaduw om de spelers toestond, sijpelde een bericht door van een regelaanpassing die voor de Horster clubleden zou gaan gelden: Het but zou bij verkeerd in het spel brengen – te dichtbij, te ver weg, over de zijlijn of te dicht bij een kopse lijn – door de tegenstander op een geldige plaats moeten worden neergelegd. Deze aanpassing of poging tot aanpassing van deze regel leverde reacties op van “Wat een onzin!” en “Regels zijn regels!” met nog de nodige malse variaties daar tussenin. Nog lastiger werd het toen daar enkele weken later nóg een kleine  aanpassing bij kwam. Tijdens het spel mocht het but door toedoen van een geworpen boule de zijlijnen van het speelvak overschrijden als maar een deel van het but zich nog boven de lijn bevond gezien vanuit een standpunt loodrecht boven het lijntje. 

Kleine trilling in het van nature vrij rustige hok. “Waar is dat nou voor nodig? Het was toch goed zoals het was!”, reageerden spelers m/v met veelal een lange staat van spelen en anderen spraken van een “Interessante uitdaging!” Het but zou dus over de lijn mogen liggen maar niet helemaal de lijn overschreden hebben. “Gekker moet het niet worden!” De voorzitter werd zelfs even verrast door de aanpassingen. Oeps! Opmerkelijk, maar het kan gebeuren. Feit is verder dat sinds het begin van de herfst 2018  alle aanpassingen tamelijk ingebed zijn bij de Horster boulers. Inmiddels spelen we dus bij het geldig in het spel brengen van het but met 50 cm van de zijlijnen en 100 cm van de kopse lijnen met de ring op 100 cm van de kopse lijn. Het geldig neerleggen van het but door de tegenstander bij verkeerd in het spel brengen wordt in veel gevallen uitgevoerd met een veeg van een voet en... de rust is weergekeerd! 

Maar… waar komt een regelaanpassing binnen de pétanquesport nou eigenlijk vandaan en bij wie ligt de verantwoordelijkheid om een regelaanpassing in te voeren?

Allereerst is daar de internationale bond, de Fédération Internationale Pétanque et Jeu Provençal, de FIPJP. Deze FIPJP heeft per 1 maart 2017 het reglement aangepast. Dit nieuwe reglement kent 41 Artikelen, is vertaald door de Nederlandse Jeu de Boules Bond, de NJBB en op enkele punten enigszins aangepast aan de Nederlandse situatie. Dit Nederlandse reglement, Reglement voor de Nederlandse PétanqueSport of kortweg RPS is nog niet overal even duidelijk en daarom heeft de reglementencommissie het zogenaamde RPSPlus uitgebracht; een praktische toelichting met veel nadere uitleg omtrent allerlei onvolkomenheden in de feitelijke regelgeving. Waarschuwing! Bij lezing van het RPSPlus zou je wild kunnen worden door een toestand van moedeloosheid  als gevolg van overdosering. Wie toch een poging wil wagen kan terecht op de volgende site: http://www.nlpetanque.nl/Reglementen/RPSPlus.pdf 

Hoe de NJBB via de aangesloten verenigingen de regels toegepast wil zien daar gaan we mogelijk in de komende tijd/jaren iets van merken.

Vooral veel speelplezier gewenst!

Door Zjeu van Ballegooijen

Ervaringen van een ballengooier… 5

Meten… een delicate zaak!

Tijdens een spel gebeurt het regelmatig dat twee of meer ballen ogenschijnlijk op een gelijke afstand van het kleine ding liggen. Om daar zekerheid over te krijgen speelt de rolmaat een belangrijke rol. Aan het begin van het spel bij de eerste ongewisheid wordt dan duidelijk wie van de spelers de rolmaat wel wil/willen inzetten en het meetwerk wil/willen aangaan, want het meten blijft toch een delicate service!

(Overigens zij nog vermeld dat volgens Art. 26 de partij… “die de laatste boule heeft     geworpen” … “een meting behoort te verrichten en de tegenstander heeft het recht om na te meten.”)

De rolmetermens – helaas is het bijna altijd een man - doet zijn best om het begin van de rolmaat voorzichtig tegen de bal te vlijen zonder deze te verplaatsen. Dat is al heel lastig! Tegelijkertijd moet de rolmaat vlak boven het but stil worden gehouden met loodrecht zicht op de voorzijde van het but om de afstand op de rolmaat in centimeters en millimeters te kunnen aflezen. Als spelers meekijken en de maat die zij vanuit een andere hoek/standpunt en van grotere afstand aflezen benoemen, komt deze lang niet altijd precies overeen met wat de metermens afleest en (liefst) duidelijk hardop meedeelt. Een begin van lichte twijfel aan de juistheid is geboren! Als de bal en het but tussen welke de afstand gemeten moet worden wat verder van elkaar verwijderd liggen – laten we zeggen meer dan 60 cm – dan is het extra lastig om de rolmaat onbeweeglijk tegen de bal te houden en met je zicht loodrecht boven de voorzijde van het but op de rolmaat de afstand af te lezen. Met je ene oog de bal in het oog houden en met het andere oog gelijktijdig de maat nemen lukt (bijna) niemand. Het is dus uitgesloten dat dit meetwerk altijd perfect gebeurt en daarom is het meer tactisch om als meekijker geen maat te melden aan omstanders terwijl de metermens in een ongemakkelijke houding zijn best doet om heel nauwkeurig te zijn.

Zo overkwam speler B onlangs een onverkwikkelijkheid naar aanleiding van meetwerk in een voorgaand spel. Partij A had een bal geworpen en deze lag volgens een eerste indruk vanaf de cirkel ongeveer even goed als een bal van partij B. B loopt naar de plaats van het but – niemand anders loopt mee - om globaal te kijken hoe de situatie is. B maakt met zijn arm een afwerend gebaar om aan te geven nog niet te gooien omdat niet duidelijk is wie het beste ligt. De werper van A merkt dit gebaar niet op  en werpt zijn bal zodanig dat deze het but raakt en een tiental centimeters meeneemt. Het meten van de vorige situatie was toen  niet meer mogelijk en vaststellen of voor de beurt was  gegooid was uitgesloten want het  but was niet gemarkeerd.

De terechte opmerking van B dat er mogelijk voor de beurt was gegooid ontlokte aan de speler van A uit het niets de opmerking dat B zojuist in het vorige spel bij het meten met de rolmaat de bal had verplaatst en dus niet goed (= niet eerlijk) had gemeten. Een flinke “kat” richting speler B voor zijn meetwerk van de middag.

“Als je meet kun je fouten maken en als je nooit meet zul je zeker geen meetfout maken,” reageerde B en verder slikte deze in wat nog brandde op het voorste van zijn tong. Het voelde als een oncollegiale aanval op zijn integriteit. B is die middag niet meer door de knieën gegaan om te meten! Het was ook niet meer nodig.

Jammer… zo’n middag!

 (Volgens RPSplus bij Art. 24 mag speler A pas gooien nadat deze zichzelf overtuigd heeft dat de tegenpartij op punt ligt en dus niet aan de beurt is en speler B heeft de plicht speler A er op te wijzen wanneer deze (mogelijk) niet aan de beurt is. Volgens Art. 24 was de door A geworpen boule ongeldig en zou deze boule uit het spel genomen hebben moeten worden en de verplaatste but en eventueel verplaatste boules zouden indien gemarkeerd teruggeplaatst hebben moeten worden. Om het nog lastiger te maken: Speler B zou ook de voordeelregel hebben mogen toepassen. Dan blijft alles liggen zoals het ligt en de ongeldige boule wordt geldig en mag blijven liggen.)

Door: Zjeu van Ballegooijen 

 

 

Ervaringen van een ballengooier... extra!

 

Geboorte en leven van een BOULE…

Voordat ik de fabriek in het Franse dorpje Saint-Bonnet-le-Château als een blinkende gladde stuiter van 700 gram - met enige belijning en enkele ingekerfde aanduidingen voor de administratie - mocht verlaten, heb ik veel moeten doormaken; mijn geboorte was niet in een puf en een pers geregeld. O wee, nee!

De eerste aanzet tot mijn huidige vorm vond ik in een grote pan gevuld met een witheet en stroperig goedje; een  mengsel van metalen, een beetje koolstof en nog wat snufjes fabrieksgeheim. Voor mijn gevoel werd ik vanuit een vormloze toestand in een pan eerst in een staafvorm gegoten ter dikte van ongeveer drie centimeter en ergens in die lengte van heel lang was ik aanwezig. Daarna, al een beetje minder wit gloeiend, werd ik met een grote knipper op maat afgekort tot een lengte van ongeveer acht cm en in een grote stalen bak gemikt. “ Klatschj”! In die bak lag ik niet alleen; het was er druk met lengtes van acht cm en allemaal even gloeiend van opwinding. Pffff…! De betrekkelijke rust in de bak duurde niet lang. Een forse grijper van een kraan hees de bak van zijn plaats en plantte deze vlak bij een zware persmachine. Eén voor één verdwenen wij in de greep van een forse tang en werden daarmee op de juiste plaats onder een zware mechanische hamer gelegd die ook mij trakteerde op één gerichte megadreun recht op mijn gelukkig nog niet bijster ontwikkelde harses. Ik voelde me na die klap sterk gekrompen in de lengte en onbehoorlijk gegroeid in de breedte. Ik was nauwelijks nog één cm dik bij een doorsnee van bijkans acht cm. Nog immer gloeiend – nu meer rood - werd ik nauwkeurig als een deksel op een kommetje geplaatst. Even tot rust komen was er niet bij, want onmiddellijk kreeg ik zo’n opstopper in mijn maagstreek dat ik zelf volledig de vorm aannam van het kommetje. Lang nadenken over een kommetje in een kommetje was er niet bij, want ik werd direct uit mijn vorm gewipt om volledig en met vele andere kommetjes af te koelen en tot mezelf te komen in alweer een grote metalen bak. Rondom mij overal kommetjes ofwel halve bollen. Gezellig in een bak met gelijkgestemden en allemaal even lelijk! Maar… het leed was nog lang niet geleden en een aantal nieuwe kwellingen volgde. Ik werd vastgeklemd tussen twee snel draaiende assen om de  enigszins rafelige rand met hulp van een akelig scherpe stalen beitel mooi schuin te kunnen afdraaien. Tevens moest er een strak pasvlakje overblijven. De draaisnelheid was zo hoog dat ik mijn oriëntatie volkomen bijster raakte en het schurende en gillende geluid van de beitel maakte me bijna radeloos tot ik plots voor de zoveelste keer een bak in werd gegooid. Vervolgens werd ik voorgesteld aan een andere halve bol met pasvlak en afschuining en wel zodanig dat wij met onze pasvlakken stevig tegen elkaar werden gedrukt. “Een vriendje! Leuk!”, zo waren mijn reacties, maar voordat ik de “k” van leuk had gejuicht, tartte een verblindend licht samen met een smeltende hitte ons beider incasseringsvermogen nogmaals tot het uiterste met als slot een verbluffend resultaat: een twee-eenheid! Een kom plus een kom is in dit geval niet twee kommen maar een bol of bal en niet zo maar een bal. Nee, ik werd BOULE genoemd. En na verdraagbaar cosmetische aandacht als mooi vlak slijpen, polijsten, streepjes, cijfers en letters kietelen over het hele lijf ten behoeve van administratie en wedstrijdgeschiktheid, werd ik geaaid en gepoetst met naar ik aanneem een zacht crèmepje met factor en als laatste door wit gehandschoende handjes als een echte nieuwe wereldburger opgenomen en met twee andere boules in een kleurig bedrukte doos gevleid. Op naar het magazijn.

Je hebt het moeizame en pijnlijke proces van geboren worden doorstaan en dan kan de volgende ellende beginnen; je valt na een rustperiode in het magazijn via een verkoopplek in handen van een mens… een man, vrouw of anderszins. In mijn geval was het een vrouw en ik noem haar mijn maîtresse. Wie het ook zij, allen zijn zij enigszins sadistisch van aard. Zij gaan met jou gooien. Bij de één word je tussen de worpen door vertroeteld in een oude muffe versleten poetsdoek van meestal onbestemde kleur en bij de ander mag je voor de lol liggen in enigermate zweterige handen en word je vanwege aanwezige nervositeit tegen elkaar gekletst. Als je geluk hebt word je laag weggerold en mag je al hobbelend over lichte oneffenheden tot rust komen bij een trosje andere aanwezige boules en liefst zo dicht mogelijk bij de ukkie boule van hout of plastic; het varkentje, cochon of but. Als je daarentegen pech hebt word je na een flinke achterzwaai gelanceerd om een andere bal ongenadig op zijn kop te tikken zodat deze van zijn riante troon verdwijnt… en dan is het auw! Van twee kanten. Eigenlijk maar goed dat ik al zoveel heb meegemaakt; nu kan ik deze kwellingen wel verdragen. Leuk is echter anders!

Als er niet met mij gespeeld wordt zit ik met twee vriendjes opgeborgen in een donkere etui. Ik hoef nooit in het koude fietsenhok te liggen zoals ik van andere boules wel eens hoor; ik krijg vaak een plekje op de verwarming. Heerlijk! Het is echter meer voor de warme handjes van mijn maîtresse dan voor mijn eigen genot, maar ik ben er wel blij mee. Op de verwarming dus, maar ook regelmatig in een badje met pure olie, babyolie denk ik; dat is zo heerlijk op mijn lijf én voor de handjes van madame. Andere boules worden wel eens met olie voor de naaimachine behandeld; ik hoop dat ik daar verre van kan blijven.

Zo nu en dan lijkt het er een beetje op dat ik straf heb; ik hoef of mag dan niet uit de etui en de andere twee mogen wel. Voordeel voor mij is dan weer dat ik gedurende de speelperiode geen klappen hoef uit te delen of te ontvangen, maar eigenlijk wil ik toch liever buiten meespelen en neem de dreunen voor lief. Soms rol ik heel voorzichtig tegen een andere vreemde boule aan; een klein schokje. Dat voelt heel anders dan zo’n knal. Even liggen zo. Daar word ik stiekempjes blij van en krijg er een roze gevoel van in mijn centrale niets. Wonderlijk! En dan is het lichte gevoel weer voorbij. Alle boules worden opgenomen en de poezelige handjes van mevrouw aaien even over mijn lijf als betreft het een wekelijkse beurt van tedere aandacht.

Jammer is het dat ik zo vaak commentaar krijg. Mijn maatjes van de etui trouwens in even grote mate. Bijna nooit is mijn bazin (helemaal) tevreden: te hard, hobbeltje uitgezocht, te zacht, op een steentje weggesprongen, uit de hand gevallen,  achter een vinger blijven haken en ga zo maar door. Altijd wat! Altijd mijn schuld! Zal wel overal het zelfde zijn!

Onlangs heeft madame ons verrast met een nieuwe etui voor drie; zacht van binnen en mooi van buiten. Uitgevoerd in blauw suède net als de schoenen van wijlen Elvis…! Ongezien stralen we toch echt wel iets uit! Een blauwe etui met opdruk “Ow But”. Geen idee waar dat op slaat, maar gelukkig staat er maar ene “t” op het eind.

Door: Zjeu van Ballegooijen

 

 

Ervaringen van een ballengooier…6

Meten is weten… nog erger!

Tijdens een zomeravonddoublette op de thuisbaan werd met regelmaat een beroep gedaan op de metermens met zijn rolmaat. Niet ongewoon. Zo ging de maatnemer voor de zoveelste keer door de knieën en deed zijn werk. Hij gaf de gemeten waarden hardop door en meldde dat de ene partij op punt lag. Na het opstaan stopte deze de rolmaat weg en pakte de twee ballen -waarvan er één ter linkerzijde en de andere ter rechterzijde lag - op om weer met het spel verder te gaan. Bijna gelijktijdig besefte deze dat hij mogelijk twee al in het spel liggende ballen had opgepakt en meldde dit aan alle betrokkenen. Ergens in het achterhoofd flitste enige kennis over het voortijdig oppakken van boules voorbij. Ballen ongeldig? Van voortijdig oppakken is sprake als bij een spel waarbij door beide partijen nog niet is ingestemd met het aantal punten, ballen zonder overleg worden opgepakt. De straf is dan – volgens Art. 27 - dat alle nog niet geworpen ballen van de partij die de fout van het oppakken heeft begaan niet meer geworpen mogen worden en dat de te vroeg opgepakte bal of ballen ongeldig wordt c.q. worden. De tegenpartij mag de nog resterende ballen wel spelen.

(Echter, is het zo dat de bal van een tegenstander die onbetwist op punt ligt  per ongeluk wordt opgepakt, dan kunnen de beide partijen in overleg besluiten de bal terug te leggen en het punt te tellen. Zou dit oprapen bewust gebeuren om er voordeel mee te behalen, dan krijgt men te maken met Artikel 38 vanwege onsportief gedrag zo meldt RPSplus bij artikel 27.  Een scheidsrechter inschakelen is in dit geval zeer aan te bevelen.)

 

De maatnemer die nog te spelen ballen in de hand heeft, legt deze (meestal) achter zich of naast zich op de grond en doet zijn meetwerk. Na het meten worden de ballen min of meer automatisch – en dat is dus helemaal fout! - weer opgepakt. Het even meten wordt een automatisme en daarbinnen kunnen fouten als hierboven beschreven optreden. De maatnemer wordt eveneens gestraft als deze met zijn meetwapen een boule of but per ongeluk verplaatst; dan gaat het te meten punt voor het team van de maatnemer volgens Art. 28 verloren.

Wie wil er nog meten als er officieel de nodige risico’s aan het meten kleven  voor de metermens en wie wordt geacht te meten? Volgens de regels moet een meting worden verricht door de equipe die het laatste een bal heeft gespeeld… en de tegenpartij mag nameten!! Zie Art. 26. Prettig spel met goed  meetwerk  gewenst!

 

Door: Zjeu van Ballegooijen .